Preek 3e zondag van Pasen

In deze weken waarin er geen openbare zondagse mis kan plaatsvinden, plaatsen we wekelijks de lezingen en de preek op de website zodat je thuis op deze manier toch kunt meevieren. De preek van deze zondag is gehouden door br. Jan ter Maat die gisteren tot diaken is gewijd.

EERSTE LEZING: Hand. 2,14.22-28
Op de dag van Pinksteren trad Petrus naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot de menigte te richten: “Gij allen, Joodse mannen en bewoners van Jeruzalem, weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden. Jezus de Nazoreeër was een man wiens zending tot u van Godswege bekrachtigd is. Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hem onder u heeft verricht: Hem, die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd, hebt gij door de hand van goddelozen aan het kruis genageld en gedood. Maar God heeft Hem ten leven gewekt, na de strikken van de dood te hebben ontbonden; want het was onmogelijk, dat Hij daardoor werd vastgehouden. Doelend op Hem toch zegt David: De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen; daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde; ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop, omdat Gij mijn ziel niet zult overlaten aan het dodenrijk en uw heiligen geen bederf laten zien. Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen, Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn.”

TUSSENZANG : Ps. 16
Refrein: Wijs ons, Heer, de weg van het leven.

Behoed mij, God, tot U neem ik mijn toevlucht;
Gij zijt mijn Heer, ik erken het,
ik vind geen geluk buiten U.

De Heer is mijn erfdeel, de dronk uit de beker,
Hij heeft mijn lot in zijn hand.

Ik dank de Heer die mij altijd geleid heeft,
Hij spreekt ook des nachts in mijn hart.

Steeds houd ik mijn ogen gericht op de Heer,
ik val niet want Hij staat naast mij.

Daarom ben ik vrolijk en blij van geest,
daarom kan ik rustig gaan slapen.

Mijn ziel laat Gij niet aan het dodenrijk over,
Gij levert uw dienaar niet uit aan het graf.

Gij zult mij de weg van het leven wijzen
om heel mijn vreugde te vinden bij U,
bestendig geluk aan uw zijde.

TWEEDE LEZING: 1 Petr. 1,3-9
Dierbaren, God, die gij aanroept als Vader, is ook de onpartijdige rechter over al onze daden; koester daarom ontzag voor Hem, zolang gij hier in ballingschap leeft. Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen, zoals goud en zilver, zijt verlost uit het zinloze bestaan, dat gij van uw vaderen had geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar bloed van Christus, het Lam zonder vlek of gebrek, dat uitverkoren was vóór de grondlegging der wereld, maar eerst op het einde der tijden is verschenen, om uwentwil. Door Hem gelooft gij in God, die Hem van de doden opgewekt en Hem de heerlijkheid gegeven heeft; daarom is uw geloof in God tevens hoop op God.

EVANGELIE: Lc. 24,32
In die tijd waren er twee van de leerlingen van Jezus op weg naar een dorp dat Emmaüs heette en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag. Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hun toe en liep met hen mee. Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Hij vroeg hun: “Wat is dat voor een gesprek, dat gij onderweg met elkaar voert?” Met een bedrukt gezicht bleven zij staan. Een van hen, die Kléopas heette, nam het woord en sprak tot Hem: “Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?” Hij vroeg hun: “Wat dan?” Ze antwoordden Hem: “Dat met Jezus, de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord, in het oog van God en van heel het volk; hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn, die Israël ging verlossen! Maar met dit al is het al de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de vroegte naar het graf geweest, maar ze hadden zijn lichaam niet gevonden, en ze kwamen zeggen dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde. Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen zij niet.” Nu sprak Hij tot hen: “O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?” Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had. Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan. Zij drongen bij Hem aan: “Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde.” Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe. Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht. Toen zeiden ze tot elkaar: “Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?” Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen. Deze verklaarden: “De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen.” En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.

PREEK
Je kunt het zo voor je zien: Kleopas en de andere leerling onderweg van Jeruzalem naar een dorpje zo’n elf kilometer verderop. Hun hoofden gevuld met gedachten die maar blijven komen, met gevoelens die hun plek nog niet gevonden hebben. Een roes, een mengelmoes van verdriet, teleurstelling, machteloosheid, woede en onrust waarvan je je afvraagt of die ooit nog eens verdwijnt. Jezus, de man op wie zij hun hoop hadden gesteld, voor wie zij hun werk hadden achtergelaten, die zij nog maar pas als redder in de hoofdstad hadden binnengehaald: gemarteld en gedood. Vervlogen hoop.

Waar is het misgegaan, wat hebben zij over het hoofd gezien? Welke fout hebben zij gemaakt? Wat had Jezus anders moeten doen?

Daar praten ze over, daar discussiëren ze over, daar malen ze over als Jezus met hen mee komt lopen. Maar, met ogen die verhinderd werden Hem te herkennen, zoals Lucas schrijft. Ze zitten zo gevangen in wat er is gebeurd en wat er in hun hoofden speelt, dat hun blik vertroebeld is.

Hoe herkenbaar kan dit zijn voor ons, 2000 jaar later! Niet dat wij vol verdriet en met een hoofd vol watten zijn omdat Jezus is gekruisigd, want wij weten wat er na Zijn kruisdood kwam. Maar hoe vaak is onze eigen blik niet vertroebeld en zien wij niet wat er te zien valt omdat er zoveel is dat pijn doet, lelijk is en plaagt.

Ontevredenheid en teleurstelling over wat jezelf liet liggen en over wat de ander fout heeft gedaan. Het kan verlammen en verblinden, je aandacht afleiden van dat wat écht van waarde is.

Er zijn van die momenten in je leven dat je tijd kunt nemen, gaat nemen of moet nemen. Tijd om te luisteren, tijd om na te denken, tijd om goede woorden, goede gedachten en goede dingen diep in je te laten doordringen. Dat zijn tijden waarin je ontdekt wat in jouw leven écht waardevol, écht mooi en écht goed is. Als je die dingen ontdekt, dan kun je daarvan zo enthousiast worden, dat je het niet meer voor jezelf kunt houden: je wilt het delen.

Je wilt wat je ontdekt hebt aan wat waar, wat mooi en goed is, doorgeven aan je kind, aan je partner, aan je beste vriendin, aan je medebroeder, ja zelfs aan vreemden. Omdat je wilt dat hún leven ook mooi en goed wordt.

Dat gebeurt ook bij deze beide Emmausgangers: Ze luisteren naar wat de Heer hen te zeggen heeft, wat Hij verkondigt in Zijn Woord. Ze merken dat hun enthousiasme groeit, dat bittere nasmaak in zoet verandert. En daarom willen ze ook niet dat Hij alleen verdergaat en hen verlaat in de nacht, maar nodigen ze Hem bij hen binnen. Daar nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe.

Dan ontdekken zij hoe het werkelijk zit! Dat het niet is zoals zij hadden gedacht, zwart en bitter, maar licht en zoet als honing: De Heer is waarlijk opgestaan. Enthousiast worden ze, omdat ze het ware, het mooie en goede ontdekt hebben. Onmiddellijk keren ze terug naar Jeruzalem, om te delen wat ze gekregen hebben: geloof en hoop.

Dat is het wat God, wat Jezus ook van óns vraagt: Om het mooie en goede dat wij in ons leven ontdekken niet voor onszelf te houden, maar van die overvloed te delen met anderen. Het Evangelie, en Pasen in het bijzonder, roept op tot actie. Het roept op om die treurende te troosten, koffie te geven aan wie er maar om vraagt, aan dat goede doel te geven, te bidden met wie niet bidden kan, taalles te geven aan de vreemdeling. Het Evangelie van vandaag roept op tot navolging. Om net als Jezus liefdevol te vragen: ‘Wat is er dan?’ en mee te lopen.

Zoals Petrus en de anderen die vol vuur hun enthousiasme delen en vertellen dat er beters te krijgen is dan goud en zilver. Zoals Franciscus en Clara, die leren dat laag van de toren blazen effectiever is dan hoog. Zoals zovele christenen wereldwijd, die ook nu het crisis is, Jezus’ met-ons-meewandelen handen en voeten geven.

br. Jan ter Maat ofm

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.