Preek 5e zondag van Pasen

In deze weken waarin er geen openbare zondagse mis kan plaatsvinden, plaatsen we wekelijks de lezingen en de preek op de website zodat je thuis op deze manier toch kunt meevieren.

EERSTE LEZING: Hand. 6,1-7
Toen in die dagen het aantal leerlingen steeds toenam,
begonnen de Hellenisten tegen de Hebreeën te morren,
omdat bij de dagelijkse ondersteuning
hun weduwen achtergesteld werden.
De twaalf riepen nu de leerlingen in vergadering bijeen en zeiden:
“Het past niet dat wij het woord Gods verwaarlozen
door de zorg voor de ondersteuning.
Ziet dus uit, broeders, naar zeven mannen uit uw midden,
van goede faam, vol geest en wijsheid.
Hen zullen wij dan met dit ambt bekleden,
terwijl wij onszelf zullen blijven wijden aan het gebed
en de bediening van het woord.”
Dit voorstel vond instemming bij de gehele vergadering
en zij kozen Stefanus, een man vol geloof en heilige Geest,
Filippus, Próchorus, Nikánor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een proseliet uit Antiochië.
Dezen werden aan de apostelen voorgedragen,
die na gebed hun de handen oplegden.
Het woord Gods breidde zich uit
en het aantal leerlingen in Jeruzalem vermeerderde sterk;
ook een groot aantal priesters gaf zich gewonnen aan het geloof.

TUSSENZANG : Ps. 33
Refrein:
Geef ons, Heer, uw barmhartigheid,
zoals wij op U vertrouwen.

Jubelt, gerechtigen, voor de Heer,
wie vroom is dient Hem te loven.

Eert dan de Heer met citerspel,
en speelt voor Hem op de harp.

Oprecht is immers het woord van de Heer
en al wat Hij doet is betrouwbaar.

Recht en gerechtigheid heeft Hij lief,
de aarde is vol van zijn mildheid.

Maar het is God die zijn dienaars bewaakt,
hen die op zijn gunst vertrouwen;

dat Hij hen redden zal van de dood,
bij hongersnood hen zal voeden.

TWEEDE LEZING: 1 Petr. 2,4-9
Dierbaren,
treedt toe tot de Heer, de levende steen,
door de mensen verworpen,
maar uitverkoren en kostbaar in het oog van God.
Laat ook uzelf als levende stenen voegen
in de bouw van de geestelijke tempel.
Draagt als een heilige priesterschap geestelijke offers op,
die welgevallig zijn aan God door Jezus Christus.
Daarom staat er in de Schrift:
“Ik leg in Sion een steen,
een uitverkoren, kostbare hoeksteen.
En wie op Hem vertrouwt, zal niet worden teleurgesteld.”
Kostbaar, dat geldt voor u die gelooft.
Maar voor de ongelovigen geldt:
“De steen die de bouwers hebben afgekeurd,
die is de hoeksteen geworden,”
maar ook “een steen waaraan zij zich stoten,
een rots waarover zij struikelen.”
Zij stoten zich, omdat zij het woord weigeren te gehoorzamen;
en daartoe waren zij ook bestemd.
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht,
een koninklijke priesterschap, een heilige natie,
Gods eigen volk,
bestemd om de roemruchte daden te verkondigen
van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen
tot zijn wonderbaar licht.

EVANGELIE: Joh. 14,1-12
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:
“Laat uw hart niet verontrust worden.
Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij.
In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.
Ware dit niet zo, dan zou Ik het u hebben gezegd,
want Ik ga heen om een plaats voor u te bereiden.
En als Ik ben heengegaan en een plaats voor u heb bereid,
kom Ik terug om u op te nemen bij Mij,
opdat ook gij zult zijn waar Ik ben.
Gij weet waar Ik heenga
en ook de weg daarheen is u bekend.”
Tomas zei tot Hem:
“Heer, wij weten niet waar Gij heengaat:
hoe moeten wij dan de weg kennen?”
Jezus antwoordde hem:
“Ik ben de weg, de waarheid en het leven.
Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.
Als gij Mij zoudt kennen,
zoudt gij ook mijn Vader kennen.
Nu reeds kent gij Hem en ziet gij Hem.”
Hierop zei Filippus:
“Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg.”
En Jezus weer:
“Ik ben al zo lang bij u
en gij kent Mij nog niet, Filippus?
Wie Mij ziet, ziet de Vader.
Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader?
Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?
De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf,
maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht.
Gelooft Mij:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij.
Of gelooft het anders omwille van de werken.
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:
Wie in Mij gelooft,
zal ook zelf de werken doen die Ik doe.
Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga.”

PREEK
Afscheidscadeau.

We lazen vandaag weer uit het Evangelie volgens Johannes. En hoewel we ons, wat het liturgisch jaar betreft, al weer een paar weken na Pasen bevinden, vinden wij onszelf in deze lezing terug op de vooravond van de gevangenneming van Jezus. De avond van het laatste avondmaal. Het afscheid staat weldra te gebeuren. Jezus gaat de dood in. De nacht voor Pasen valt. Dat zou enige aanleiding tot paniek onder de leerlingen gegeven kunnen hebben, paniek voor de dood, en angst voor de op handen zijnde scheiding. En wat gaat er dan met hunzelf gebeuren?

De emotionele richting in het verhaal van Johannes gaat echter volledig de andere kant uit. Geen paniek over de aanstaande dood, geen angst voor de onvermijdelijke scheiding, maar veeleer het stille licht van vrede en liefde, een woord dat alsmaar valt in de zogeheten afscheidsrede van Jezus. Zijn aanstaande dood versterkt eerder de band die Jezus heeft met zijn leerlingen, dan dat die daardoor verzwakt. Een verzwakking die je eigenlijk wel zou verwachten. We weten natuurlijk niet wat er die avond precies gebeurd is en hoe de emoties waren van Jezus en zijn leerlingen. Want wat we nu lezen is wat de gelovige Johannes tientallen jaren na de dood van Jezus denkt te moeten opschrijven over de gebeurtenissen rond dat eerste christelijke Pasen.

En de gelovige Johannes probeert ons duidelijk te maken dat de dood van Jezus niet een vreselijke menselijke vergissing is, niet een laffe daad van woede en haat, maar eerder een teken van liefde en vrede, passend in het plan van de Vader. Het verraad van Judas wijkt naar de achtergrond, de martelende kruisgang wijkt, en daarvoor in de plaats komt de voor ons onbegrijpelijke, eindeloze aandacht van Vader God voor deze wereld. Zozeer heeft God de wereld liefgehad, schrijft dezelfde Johannes, dat hij zijn enige zoon liet delen in onze menselijke dood. Om daarmee te laten zien hoezeer Hij begaan is met het lot van deze wereld. Wie mij ziet, ziet de Vader, zegt diezelfde Johannes. Wat er met Jezus gebeurt, gebeurt niet zomaar, maar is een uitdrukking van Gods eigen bemoeienis met deze wereld. Wanneer God bestaat, dan is Hij, volgens Johannes, niet de koele regelaar op afstand die de touwtjes in handen heeft, maar de medelijdende, medeliefhebbende God. De Vader die zich laat zien in zijn zoon Jezus.
Johannes wordt er eigenlijk een beetje opgewonden van, zo lijkt het, en schrijft dan een ogenschijnlijk krankjorume zin. Een zin die in de lezing van vandaag staat:
Stel U voor: De dood staat voor de deur. Iedereen weet het en dan zegt diegene die doodgemaakt gaat worden: Laat je hart niet verontrust worden. Jullie geloven in God, gelooft ook in mij. In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen. Ik ga heen om een plaats voor jullie te bereiden. Dan kom ik terug om jullie op te nemen bij mij.
Geen vrees, geen paniek. Geen gehuil en geweeklaag. Eerder een rustige en liefdevolle planning voor later.
De afzichtelijke zwarte ravijn van de dood wordt hier als het ware zonder moeite omgevormd tot een elegante brug naar de Vader. En sterker nog, het wordt de voorwaarde waaronder Jezus terug kan komen. Geen dood van Jezus, geen toegang tot de Vader. Geen dood van Jezus geen terugkomst in de persoon van de heilige Geest. Geen wonder dat deze passage uit de schriften zo vaak gekozen wordt bij de begrafenisliturgie van onze geliefde doden.

Je moet het maar durven, verzucht je dan, om zo als Johannes over de dood te denken……..Trouwens wat voor een voorstelling hebben jullie eigenlijk bij de dood. Magere Hein? Dat skelet met die zeis? De wreker die alles uiteindelijk neermaait. Nee, dan voor mij toch maar liever het beeld van de liefhebbende moeder naar wiens schoot we allen weer terugkeren. Ik ging van de Vader uit, zo laat Johannes Jezus zeggen. Naar de Vader keer ik terug. Ook wij gingen van de Vader uit. De dood, onze moeder, bracht ons liefhebbend in het leven. De dood brengt ons als een liefhebbende moeder ook weer naar de Vader terug.
Waarom zouden we dan nog bang zijn voor de dood? Achter de dood wacht niet het grote niets, de uiteindelijke onwetendheid. Achter onze dood wacht ons een groots weten, de liefhebbende Vader.
 Dat leerde Johannes van Jezus.
 Dat is wat Johannes ons wil laten weten vandaag.
Willen wij dat ook zo zien? Aan ons het antwoord. Amen.

br. Jan Bouwens ofm

(Op 10 mei 2020, Moederdag en midden in de coronacrisis.)

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.