Legende van ‘de vierde wijze’ bij Drie Koningen

In de vigilieviering van Drie Koningen hoorden we de legende van ‘de vierde wijze’. Het verhaal raakte ons en daarom delen we het met jullie.

Legende (Naar Henry van Dyke, verkorte versie)
Artaban de Mediër reed op zijn snelle paard door de donkere nacht. Samen met zijn vrienden Balthasar, Caspar en Melchior had hij de oude boeken bestudeerd. Ze waren ervan overtuigd dat die nieuwe ster het teken was dat de beloofde Koning geboren zou worden. Artaban had zijn huis en zijn bezittingen verkocht en kocht er drie schitterende edelstenen voor. Deze wilde hij aan de nieuwe Koning geven als teken van zijn geloof. En nu reed hij snel door de nacht om op tijd te zijn bij zijn vrienden. Plotseling hield zijn paard in. Wat was dat? Er lag een donker voorwerp op de weg. Artaban steeg af. In het sterrenlicht zag hij dat het een mens was. Aan de magere pols voelde Artaban dat de man haast dood was. Toch greep de vreemdeling nog zijn kleren vast en keek hem smekend aan. Artaban stond in tweestrijd: wat moest hij doen? Helpen en te laat komen? Hij bad om wijsheid, verzorgde de onbekende en bracht hem naar de stad. Dit kostte hem heel veel tijd. Daardoor miste hij zijn vrienden; hij moest zijn paard en een diamant verkopen om een kameel en voedsel te kopen voor de tocht door de woestijn. Weken later kwam Artaban aan in Bethlehem. Hij was moe, maar vol hoop dat hij nu zijn parel en robijn aan de Koning kon aanbieden. De straten waren leeg. Door een open deur hoorde hij een vrouwenstem zingen. Hij ging er binnen en vond een vrouw die haar kindje in slaap suste. Zij vertelde hem van de drie wijzen uit het oosten, hoe ze naar het stalletje op het veld waren gegaan, hoe ze het Kindje van Maria en Jozef aanbaden en goud, wierook en mirre aan zijn voetjes hadden neergelegd. Spoedig daarna waren ze vertrokken en ook Jozef, Maria en het Kindje waren weggegaan. Plotseling klonk er een woest lawaai: het geluid van trompetten, paarden en schreeuwende vrouwen, die riepen: “De soldaten! Ze vermoorden onze kinderen!” Het gezicht van de moeder werd wit van angst. Artaban stond onmiddellijk op en ging voor de deur staan. Er kwamen juist soldaten aan met bebloede zwaarden.” De aanvoerder liep voorop; Artaban riep hem zacht en zei: “Ik ben hier alleen en ik wil u deze parel geven als u mij met rust laat”. De aanvoerder greep haastig de parel en riep: “Voorwaarts, hier zijn geen kinderen”. En Artaban trok weer verder, op zoek naar de Koning. Er gingen vele jaren voorbij waarin hij zocht, raad vroeg, reizend van plaats naar plaats. Hij kwam door streken waar hongersnood en armoede heerste, hij verzorgde de zieken, gaf hongerigen te eten, kleedde de naakten. Hij werd oud, toch vergat hij zijn doel niet: in zijn gordel droeg hij de robijn, en hij was vastbesloten deze aan de Koning te geven. Na 33 jaar kwam hij, net als ieder jaar, weer in Jeruzalem. Het was in de tijd vlak voor het paasfeest. Op straat liepen de mensen allen een kant op. Artaban sloot zich erbij aan en vroeg wat er gaande was. “We zijn op weg naar Golgotha”, antwoordden zij, “daar zullen twee rovers gekruisigd worden tegelijk met een zekere Jezus. Pilatus heeft hem veroordeeld omdat hij beweerde de Koning van de Joden te zijn.” Toen Artaban dit hoorde, moest hij direct denken aan de ster: zou deze Jezus de Koning zijn die 33 jaar geleden in Betlehem geboren was? Hij zei bij zichzelf: “Gods wegen zijn wonderlijk: nu vind ik de Koning in de handen van zijn vijanden, en ik kom juist op tijd om hem vrij te kopen met mijn robijn”. Hij volgde zo vlug hij kon de menigte. Juist bij de poort van de stad kwam er een troep soldaten aan die een meisje meesleurden. Toen zij de wijze zag, rukte ze zich los en wierp zich aan zijn voeten neer. “Red mij”, smeekte ze, “ze hebben mij meegenomen om als slavin te verkopen, om zo de schuld van mijn vader te voldoen. Toe, Heer, red mij! ” Artaban beefde. Tweemaal had hij de edelstenen, de tekens van zijn geloof, gegeven voor zijn arme medemensen. Nu stond hij voor een derde en laatste keuze. Hij haalde de robijn tevoorschijn en zei: “Hier heb je je losgeld, kind; het is het laatste van de geschenken die ik aan de Koning had willen geven”. Terwijl hij dit zei, werd het snel donker, de aarde beefde en muren trilden, stof vloog door de lucht, soldaten vluchtten weg. Artaban en het meisje verscholen zich bij de stadsmuur. Zijn zoeken was uit, hij kon de Koning niets meer aanbieden, zijn levensdoel was mislukt. Opnieuw schudde de aarde en een steen viel naar beneden en trof Artaban aan het hoofd. Toen het meisje zich over hem heen boog, bang dat hij dood was, hoorde ze een zachte stem, maar ze verstond haar niet. Toen sprak Artaban alsof hij iemand antwoord gaf: “Heer, wanneer zag ik U hongerig en gaf U te eten of dorstig en gaf U te drinken? En wanneer zag ik U ziek en ben U komen bezoeken, of naakt en heb U gekleed? Al 33 jaar zoek ik U en nooit kon ik U vinden”. Hij zweeg en weer klonk die zachte stem, maar het meisje kon haar nu wel verstaan: “Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn broeders, dat hebt gij voor Mij gedaan”. Er kwam een laatste, lange zucht over Artabans lippen; zijn schatten waren aangenomen door de Koning.

Reacties kunnen niet achtergelaten worden op dit moment.